Soepzooitje

Gepubliceerd: Maandag 04 juli 2016 15:00

Rene van Rooij over het aangekondigd ontslag bij Unox in Oss .{jcomments on}

 

 

"Met argusogen heb ik het de afgelopen dagen gevolgd, het nieuws rond Unox. Zelf ben ik er ongeveer 25 jaar geleden begonnen. Eerst op de CFO en vervolgens op de soepfabriek. Daar bleek ik op mijn plek. Het was flink aanpoten om op de groentekeuken een flinke buffer te maken voor de koks die aan 2x14 ketels a 500 liter soep stonden te maken, maar daar stond een hoop ‘vrije tijd’ tegenover. Als er bij simpele soepen zo’n 24 hoppers met ingrediënten klaarstonden, dan konden we een half uurtje relaxen, om vervolgens weer volgas er tegenaan te gaan. Dit werd getolereerd, en de ‘chef’ ging zelf ook mee naar het rookhok om zo af en toe ‘n kaartje te leggen of een peuk te roken. Bij volle soepen klaagde er ook niemand dat een fatsoenlijke pauze er eigenlijk niet inzat, en werkten we met man en macht om het allemaal draaiend te houden.

De jaren er na veranderde er veel. Iedereen mocht/moest op cursus, omcholing, bijscholing en nascholing. Van de groentekeuken wist ik het een paar jaar later te schoppen tot kok, tussen de grote ketels. Er werd veel gelachen, ongein uitgehaald, gekaart, gerookt maar vooral ook gewerkt. Zo hard, dat er na maanden van extra diensten te veel voorraad was. Dan werd iedereen in de dagdienst gedwongen en werd er bijna gesmeekt of je vrije dagen wilde opnemen. Wie dat niet deed of kon, kreeg de verschrikkelijkste geestdodende klusjes die je maar kon bedenken.



Na een luwe periode ging het weer precies omgekeerd. Toen moesten er na 5 nachtdiensten op vrijdagmiddag ook nog een extra middagdienst gedraaid worden, om maar vooral genoeg op voorraad te krijgen. Het vijfde jaar dat ik er werkzaam was, gebeurde weer precies hetzelfde. Een vakbondsman die op onze afdeling werkte stookte de ploeg op dat zij allemaal de ‘extra’ dienst moesten weigeren wanneer de chef weer langskwam om daarvoor de interesse te peilen. De eerste 5 die gevraagd werden (ik en 4 ander collega’s) deden desgevraagd. Groot was dan ook de verwondering toen meneer de vakbondsman volmondig ‘JA’ zei op diezelfde vraag! Daarna durfde niemand meer te weigeren. Toen we hem er op aanspraken reageerde hij bits: “Ik moet naar mijn eigen portemonnee kijken, en ik heb met jullie niets te maken”. Daar konden we het mee doen.

De week erna werd er op de begane grond bij de trapopgang een wasbak opgehangen. Toen wij ‘s zondagsavonds opkwamen voor de nachtdienst passeerden we allemaal deze wasbak, liepen op de eerste verdieping het rookhok in om ons brood weg te leggen, wasten onze handen en gingen aan de slag. Om 23.00 uur ‘s avonds werd 1 van de 5 extra-dienst-weigeraars ontboden op Personeelszaken! Zondag om 23.00 uur! Dat kon weinig goeds betekenen. De ploegchef reageerde geschokt en zei van niets te weten. Binnen een kwartier werd het echter duidelijk: er was gepost tegenover de ingang van de soepfabriek, en alle namen van de mensen die hun handen niet wasten bij binnenkomst werden genoteerd. Dat waren 26 van de 26 ploegleden (iedereen wastte zijn/haar handen boven). De 5 ‘dienstweigeraars’ moesten echter die zondagavond op het matje komen.

De eerste voelde zich zo enorm verraden dat hij de personeelschef bijna aanvloog. Hierop volgde een ontslag op staande voet. Buiten de poort belde hij naar de afdeling en waarschuwde de rest van onze ploeg. De ploegchef drukte zijn snor, en wist achteraf van het hele plan. Omdat ik mijn fatsoen hield bij PZ en een ander vakbondslid kende binnen UVG mocht ik –na een schorsing- wonder boven wonder blijven. Wel werd ik naar ‘n afdeling geplaatst waar het mij zo ontzettend slecht beviel dat ik na enkele maanden zélf mijn ontslag aanvroeg.



Het nieuws dat niet iedereen met deze zoveelste reorganisatie op straat komt te staan deed me deels goed, omdat ik veel mensen die er nog nog werken een warm hart toedraag. Aan de andere kant doet het me beseffen dat dit weer zo’n periode wordt waarin mensen op ‘n sneaky manier buiten gebonjourd gaan worden. Een deel zal op natuurlijke wijze afvloeien……maar ‘n groot deel zal op een louchere manier aan het eind van zijn/haar carrière komen vrees ik. Het blijft ‘n soepzooitje. Ik verzon er een spreekwoord bij: Hoe hoger op de ladder, hoe groter de adder. De tijd zal het leren. Ik houd het hart vast."

Deel deze pagina: